“Ja, het gaat wel.” Wat moet je anders zeggen als iemand aan je vraagt hoe het met je gaat? Je weet misschien zelf niet eens hoe het met je gaat. Je kunt het in ieder geval niet zomaar in een paar zinnen zeggen. Want het is veel te groot. Veel te rommelig. En het gaat van de ene naar de andere kant.
Veel mensen die rouwen kennen dat gevoel dat taal vaak tekortschiet.
Schrijven wordt vaak genoemd als manier om daar iets aan te doen. Een dagboek, een brief, een gedicht. En het klinkt ook logisch. Door iets op te schrijven, krijg je meer grip op je binnenwereld. Maar werkt dat ook echt? En zo ja, voor wie en op welke manier?
Waarom schrijven soms wel en soms niet helpt
De bekendste vorm van therapeutisch schrijven is het expressief schrijven, ontwikkeld door psycholoog James Pennebaker in de jaren tachtig. Het komt er kortgezegd op neer dat je een aantal keer twintig minuten schrijft over een ingrijpende gebeurtenis en de gevoelens die daarbij horen, zonder je druk te maken om spelling of mooie zinnen. Bij allerlei groepen mensen blijkt deze methode gezondheidswinst op te leveren, al houdt die winst meestal maar een paar weken aan.
Bij rouw ligt het ingewikkelder. Den Elzen en collega’s wijzen erop dat er maar weinig studies zijn die expressief schrijven specifiek bij nabestaanden onderzochten, en dat de uitkomsten daarvan wisselend waren. Vroeg onderzoek vond nauwelijks verschil tussen rouwenden die expressief schreven en rouwenden die over iets neutraals schreven. Een mogelijke verklaring is dat die studies de standaardinstructie gebruikten zonder die aan te passen aan wat rouw bijzonder maakt.
Een studie van Rubin, Hawkins, Cobb en Telch maakt het nog scherper. Zij lieten ruim driehonderd nabestaanden kort schrijven, de ene groep over een fijne herinnering aan de overledene, de andere over iets alledaags. Wie over de fijne herinnering schreef, voelde zich daarna niet positiever. Bij deelnemers met sterke, vastgelopen rouw riep die oefening zelfs meer negatief gevoel op. Het terughalen van een mooi moment kan het gemis aanwakkeren in plaats van verzachten. Een goedbedoelde opdracht kan dus de verkeerde kant op werken.
Dat betekent niet dat schrijven bij rouw weinig oplevert. Het laat zien dat de vorm ertoe doet. Toen Den Elzen, Breen en Neimeyer een langer traject opzetten, zes bijeenkomsten met steeds wisselende schrijfopdrachten en ruimte om met elkaar te delen, zag de groep nabestaanden wel verbetering. Er was minder angst en somberheid, minder rouwklachten, en meer gevoel van betekenis en steun. De onderzoekers zijn er eerlijk over dat hun groep klein was en dat er geen controlegroep was, dus dat de verbetering deels ook door het verstrijken van de tijd kan komen. Toch wijst hun pilot in een duidelijke richting. Schrijven bij rouw lijkt het meeste te bieden als het over langere tijd gebeurt, met afwisseling, met begeleiding, en het liefst niet helemaal alleen.
Voor wie rouwenden begeleidt, is dit een bruikbaar kompas. Een losse opdracht (“schrijf eens een briefje aan je overleden man”) kan onverwacht hard aankomen. Voor de rouwende zelf is de geruststelling dat het niet aan jou ligt als één oefening niet werkt. Schrijven is geen knopje dat je indrukt. Het is een manier van bezig zijn waar je je eigen tempo en vorm in mag zoeken.
Wat beeldspraak doet
Naast het uiten van emoties is er een tweede spoor, en daar wordt het interessant. Veel van wat in rouw vastzit, laat zich maar moeilijk rechtstreeks benoemen. Juist dan kan beeldspraak helpen. Een metafoor is taal die iets uitdrukt via een beeld, bijvoorbeeld als je je verdriet beschrijft als een zee waarin je soms kopje onder gaat. Williams beschrijft in haar overzicht hoe beeldspraak werkt als een omweg. Een beeld benoemt het gevoel zonder dat je het frontaal hoeft aan te kijken, en zo glip je langs je eigen afweer, langs de neiging om moeilijke dingen weg te duwen.
Er zit nog een belangrijk perspectief in. Zodra je iets opschrijft, haal je het uit jezelf en leg je het buiten je. De tekst wordt iets waar je naar kunt kijken, over kunt nadenken, op terug kunt komen. Lengelle en Meijers noemen dat de stap van een eerste naar een tweede verhaal. Het eerste verhaal is rauw en ongeordend, vol gemis en heftige emotie, zoals het er in de eerste tijd uitkomt. Door erover te blijven schrijven kan daar langzaam een tweede verhaal uit groeien, eentje met meer samenhang, waarin je niet zozeer andere feiten vertelt, maar er anders naar leert kijken. Den Elzen en collega’s zagen dit gebeuren. Deelnemers vertelden dat het opschrijven de manier veranderde waarop ze dingen “in hun hoofd met zich mee droegen”. Sommige dingen losten op met de tijd, andere bleven, maar ze waren er anders over gaan voelen.
Dit verklaart waarom een gedicht of een beeldende zin soms meer losmaakt dan een nuchtere opsomming van wat er gebeurd is. Dat komt doordat beeldspraak ruimte geeft aan iets wat zich aan gewone woorden onttrekt. Het gaat niet om mooiere taal.
Schrijven naar de overledene
Een van de oudste en meest gebruikte schrijfvormen bij rouw is de brief aan wie je verloren hebt. Je schrijft alsof de ander hem leest, ook al weet je dat dat niet zo is. Je kunt vertellen wat er gebeurd is sinds het afscheid, wat je nog had willen zeggen, hoe je veranderd bent. De briefvorm geeft houvast, want je richt je tot iemand, en dat helpt om op gang te komen.
Onderzoek geeft hier een verdieping aan. Barak en Leichtentritt bestudeerden gedichten van ouders die hun kind hadden verloren door een plotselinge, gewelddadige dood. Veel ouders voerden een soort gesprek met hun kind op papier. Sommigen schreven een werkelijkheid waarin het kind weer even aanwezig was, op een moment dat het in het echte leven gemist had. Anderen vroegen hun kind als het ware om toestemming om verder te leven. De onderzoekers noemen dit “generatief schrijven”, schrijven dat nieuwe betekenis en nieuwe gevoelens voortbrengt. Door dit schrijven lieten de ouders hun kind niet los. Ze zetten de band op een andere manier voort.
Dat raakt aan iets wat in de rouwliteratuur de voortgaande band wordt genoemd, continuing bonds. De gedachte dat je een overledene niet hoeft achter te laten om verder te kunnen, en dat de verbinding mee mag bewegen met je leven. Een brief of een geschreven gesprek is een concrete manier om die doorgaande verbinding vorm te geven.
Je kunt deze vorm uitbreiden. Den Elzen en collega’s lieten deelnemers aan het eind van hun traject een brief aan zichzelf schrijven, vanuit een toekomstig en wijzer ik. Dat ik kijkt terug op deze periode en schrijft wat het je zou willen meegeven. Deelnemers ervoeren dat zo’n brief de losse inzichten van de afgelopen tijd samenbracht en hoop gaf om verder te gaan. Voor wie de brief aan de overledene te zwaar of te dichtbij vindt, kan dit een toegankelijker ingang zijn.
Jezelf door andere ogen zien
Een minder bekende werkvorm draait om perspectief. In het traject van Den Elzen kregen deelnemers de opdracht om over hun verlies te schrijven in de derde persoon, dus “zij voelde” of “hij stond daar” in plaats van “ik”. Je beschrijft jezelf door de ogen van iemand anders. Dat mag echt zijn of verzonnen. Hoe zou die ander beschrijven wat er gebeurd is, hoe je het gedragen hebt, wat je misschien geleerd hebt?
De gedachte erachter is dat zo’n verschuiving wat afstand schept. Door even uit je eigen ervaring te stappen en er als het ware naast te gaan staan, kun je dingen opmerken die je van binnenuit niet ziet. Deelnemers vonden de oefening bruikbaar. Het is iets wat je goed alleen kunt doen, met pen en papier, zonder dat er iemand bij hoeft te zijn.
Wel is het goed om hier een opmerking bij te plaatsen. Want afstand nemen kan verlichten, maar bij sommige mensen kan het ook voelen als wegvluchten van het gevoel. Als je merkt dat de derde persoon je juist verder van jezelf af brengt, is dat een teken om het anders te doen, of om er met iemand over te praten.
Een gedicht uit je eigen woorden
De laatste werkvorm komt uit het werk van Sarah Penwarden, en is in de kern bedoeld voor begeleiders. Toch is het idee zo aansprekend dat het de moeite waard is om er een eigen vorm voor te zoeken. Penwarden werkte met nabestaanden van een overleden partner. Zij liet hen vertellen over hun geliefde, en uit dat wat ze zeiden destilleerde zij een gedicht. Zij verzon er niets bij. Ze lichtte hun eigen woorden eruit en ordende die op de pagina. Williams vat haar manier van werken samen in vier stappen. (1) Ze luisterde aandachtig, (2) koos bepaalde uitdrukkingen eruit, (3) ordende die op papier, en (4) gaf ze terug aan degene die ze had gesproken.
Het bijzondere zit in dat teruggeven. Mensen herkenden hun eigen woorden, nu in een vorm die ze konden vasthouden. Een deelnemer vertelde dat het haar geliefde concreet maakte, iets wat ze altijd bij zich kon dragen en zou koesteren.
Hoe vertaal je dit naar jezelf, zonder begeleider? Een mogelijkheid is om het samen met een naaste te doen. Vertel elkaar over wie je verloren hebt, schrijf op wat de ander zegt, en haal er samen de zinnen uit die het meest raken. Een andere manier is om je eigen geschreven aantekeningen te gebruiken als grondstof. Lees terug wat je over je dierbare hebt opgeschreven, streep de woorden aan die kloppen, en schik die tot een kort gedicht. Het hoeft niet te rijmen en niet mooi te zijn. Het gaat erom dat de woorden van jou zijn.
Williams plaatst hier een kanttekening bij die het overdenken waard is. Het heeft weinig zin om gedichten over verlies te bundelen per categorie: een gedicht over een overleden kind voor alle rouwende ouders, een over een partner voor alle weduwen. Het ene gedicht raakt de een diep en laat de ander koud. Voor sommige nabestaanden werkt een tekst die juist de levenslust van de overledene laat zien beter dan een tekst over de dood. Elk verlies is anders, en dat geldt ook voor de woorden die erbij passen.
Waar voorzichtigheid op zijn plaats is
Schrijven kan ook te veel openhalen. De dichter en onderzoeker Katz, aangehaald door Williams, waarschuwt dat het op papier zetten van pijnlijke ervaringen niet vanzelf helend is en in sommige gevallen klachten kan versterken. De studie van Rubin liet datzelfde zien bij mensen met sterke, langdurige rouw. Wie merkt dat schrijven hem dieper de put in trekt in plaats van lucht te geven, doet er goed aan te stoppen en andere steun te zoeken.
Dat is precies waarom de vorm en de omgeving ertoe doen. Den Elzen en collega’s verklaren waarom hun positieve schrijfoefening wél goed viel, terwijl de losse oefening bij Rubin averechts werkte. Bij Den Elzen kwam die oefening pas laat in het traject, nadat mensen eerst ruimte hadden gehad om hun verlies te uiten, en gebeurde alles in een groep waarin gedeeld en geluisterd werd. De volgorde, de opbouw en de aanwezigheid van anderen maakten het verschil. Een losse opdracht zonder die context mist die bescherming.
Voor begeleiders ligt hier een duidelijke les. Het is verstandig eerst in te schatten of iemand er klaar voor is en het zelf wil, zoals Barak en Leichtentritt ook aanraden, voordat je een rouwende uitnodigt om over het diepste verdriet te schrijven. Voor de rouwende zelf geldt iets eenvoudigers. Je mag stoppen wanneer het te veel wordt. Je mag een opdracht naast je neerleggen. En als het verdriet je voortdurend overspoelt en schrijven daar niets aan verandert, is dat een signaal om hulp te zoeken bij een huisarts of rouwbegeleider.
Niet wegschrijven, maar dragen
In al deze studies blijft één ding overeind. Schrijven lost het verdriet niet op. Niemand schrijft zijn rouw weg. De ouders bij Barak en Leichtentritt bleven hun kind missen. De deelnemers bij Den Elzen droegen het verlies nog steeds met zich mee, alleen iets lichter, iets minder vastgelopen. Een van hen zei dat het verdriet meekomt, maar dat ze er minder door klem zat.
Schrijven bij rouw maakt het onzegbare een beetje zegbaar. Het geeft je iets in handen waar je naar kunt kijken, en soms verandert het de manier waarop je het meedraagt. Voor de een is dat een brief, voor de ander een gedicht uit eigen woorden of een paar regels in een schrift dat niemand ooit leest. De vorm doet er minder toe dan de beweging eronder. Het gaat om het zoeken naar woorden voor iets wat groter is dan woorden, en om de overledene daarin op een nieuwe manier dichtbij te houden.
Als je het wilt proberen, begin dan klein en zonder verwachting. Schrijf een paar zinnen, en kijk wat het met je doet. Het hoeft nergens heen te leiden. Soms is het opschrijven zelf al genoeg.
Zelf aan de slag, met wat houvast
Schrijven bij rouw lijkt het meeste te bieden over langere tijd, met afwisseling en met enige begeleiding. Daarop is het programma Schrijvend door Rouw van Bright Elephant gebouwd. Je krijgt verspreid over een paar weken schrijfopdrachten in je mailbox, met telkens een korte uitleg vooraf, een vast ritme om in te komen, en de mogelijkheid om je vragen te stellen wanneer je vastloopt. Je krijgt er verschillende schrijfvormen stap voor stap aangereikt, van expressief schrijven tot een brief aan je dierbare en het zoeken naar woorden in een kort gedicht.
Wil je eerst ervaren of het iets voor je is? Er is een gratis proefles.
Bronnen
- Williams, M. L. (2024). The Lawlessness of Loss: Poetry and Autoethnographic Writing as Therapy in Grief and Loss. OMEGA — Journal of Death and Dying. https://doi.org/10.1177/00302228241260937
- Den Elzen, K., Breen, L. J., & Neimeyer, R. A. (2023). Rewriting grief following bereavement and non-death loss: a pilot writing-for-wellbeing study. British Journal of Guidance & Counselling. https://doi.org/10.1080/03069885.2022.2160967
- Rubin, M., Hawkins, B., Cobb, A., & Telch, M. J. (2020). Emotional reactivity to grief-related expressive writing. Death Studies, 44(9), 552-560. https://doi.org/10.1080/07481187.2019.1595219
- Penwarden, S. (2022). Crafting order and beauty from loss: using found poems as a form of grief therapy. Journal of Poetry Therapy, 35(1), 13-26. https://doi.org/10.1080/08893675.2021.2004370
- Barak, A., & Leichtentritt, R. D. (2017). Creative writing after traumatic loss: Towards a generative writing approach. British Journal of Social Work, 47(3), 936-954. https://doi.org/10.1093/bjsw/bcw030
- Lengelle, R., & Meijers, F. (2009). Mystery to mastery: An exploration of what happens in the black box of writing and healing. Journal of Poetry Therapy, 22(2), 57-75. https://doi.org/10.1080/08893670903072935