‘Ik was boos op opa, daarom is hij doodgegaan’

Over schuld, spel en verdriet bij kinderen die iemand verliezen

Een meisje van vijf hoort dat haar opa is overleden. Ze huilt een paar minuten, vraagt dan of ze buiten mag spelen. Haar moeder weet niet wat ze ermee moet. Is dit normaal? Mist ze opa niet? Is er iets mis?

Er is niets mis. Dit meisje rouwt op de manier die past bij haar leeftijd: in kleine porties. Ze neemt het verdriet even tot zich, en wendt zich dan weer tot het gewone leven. Dat wisselen tussen verdriet en spel is typerend voor hoe jonge kinderen omgaan met iets dat te groot is om in één keer te bevatten.

In Nederland verliezen jaarlijks ruim 6.000 minderjarige kinderen een ouder. Neem je jongeren tot 25 jaar mee, dan gaat het om bijna 12.000 per jaar.1 Tel daarbij de kinderen die een broer, zus, grootouder of ander dierbaar persoon verliezen, en het wordt duidelijk dat kinderrouw een onderwerp is dat aandacht verdient. Toch bestaan er hardnekkige misverstanden over hoe kinderen rouwen. Dat ze te klein zijn om het te begrijpen, bijvoorbeeld. Of dat ze er vanzelf overheen komen.

Wat weten we inmiddels uit onderzoek over rouw bij kinderen? En wat betekent dat voor iedereen die met rouwende kinderen te maken heeft?

Hoe kinderen de dood leren begrijpen

Om te snappen hoe kinderen rouwen, helpt het om eerst te kijken naar hoe hun doodsconcept zich ontwikkelt. Onderzoekers onderscheiden vier elementen die samen een 'volwassen' begrip van de dood vormen: onomkeerbaarheid (wie dood is, komt niet terug), universaliteit (alle levende wezens gaan dood), non-functionaliteit (een dood lichaam werkt niet meer) en causaliteit (er is een oorzaak waardoor iemand doodgaat).2

Deze pagina is beschikbaar voor betalende leden van dit platform.

Wil je ook lid worden? Lees er alles over op deze pagina »

Of log in via het formulier hieronder.

Lees nog meer