Thema's in dit artikel: Compassionate Communities, dagelijks leven, eenzaamheid, gemeenschap, huisdierverlies, informele steun, kinderen, ouderen, rouw op het werk, rouwgeletterdheid, sociale steun, troost, uitvaart, verbondenheid, verdriet, weduwen
Waarom de eerste steun bij rouw uit je eigen straat hoort te komen
Wist je dat in Nederland gemiddeld 475 mensen per dag overlijden? Ruim de helft van hen is de tachtig al gepasseerd. Je hebt dus grote kans dat er vroeg of laat een collega terugkomt op het werk of een student terug in de klas van wie een paar weken eerder de moeder of de opa is overleden. Wat zeg je dan tegen haar, die eerste werkdag? Moet je er iets over zeggen, of kun je het beter laten rusten?
Veel mensen zoeken naar iets bemoedigends. “Ze heeft toch een mooie leeftijd gehaald.” “Gelukkig is haar lijden nu voorbij.” Of je vraagt waar ze aan overleden is en hoe oud ze is geworden. Het is apart hoe vaak we dit soort vragen blijven stellen. Het lijkt wel alsof we ervan uitgaan het verlies kleiner wordt als iemand maar oud genoeg was of als we weten waaraan het lag. Ik ben ervan overtuigd dat het allemaal uit een goed hart komt. Maar ze helpen vooral degene die ze zegt, omdat het verlies dan ergens een plek krijgt. Voor je collega maakt die leeftijd weinig uit, want het was haar moeder en ze zit er nog middenin.
Nu wordt door de rouwenden zelf het meest als helpend ervaren als het aansluit bij wat ze zelf voelen en meemaken. Maar het minste als hun verdriet wordt weggeredeneerd. Moet je maar eens opletten hoe snel je deze vraag stelt: “Hoe is het met je?” Waarschijnlijk weet je collega of medestudent daar zelf ook geen antwoord op. Het is een ontzettend ingewikkelde vraag als je een paar weken geleden je moeder hebt begraven.
Als je daar meer houvast bij zoekt, heb je veel aan het boek Ik weet niet wat ik zeggen moet van Mariska Overman en Rob Bruntink. Het is geschreven voor de mensen om een rouwende heen, met concrete suggesties voor wat je kunt zeggen en wat je beter kunt laten.
We hebben troost uitbesteed
Ik ben elke dag met rouw bezig, en ik denk dat we onthand zijn geraakt in iets heel gewoons. Troostvol nabij zijn bij een ander lukt ons steeds slechter. Rond de dood en de grote levensgebeurtenissen hebben we veel uitbesteed aan mensen die ervoor gestudeerd hebben. Zij weten hoe het gaat rond sterven en uitvaarten, en ze zouden ook wel weten hoe je iemand troost. Dat denken we tenminste.
Ik zeg dat als iemand die zelf zo’n ‘professional’ is. Ons werk is belangrijk, zeker voor wie vastloopt in zijn rouw. Toch hoort de eerste troost niet bij ons te beginnen. Die hoort te beginnen in je eigen straat en je eigen buurt, op je werk of op school, bij de vereniging, in de kerk of in de moskee. Als je rouwt, heb je daar vaak de mensen die je nodig hebt al om je heen.
Rouwenden halen de meeste steun ook uit hun eigen kring, bij familie en vrienden. Die steun wordt bovendien het minst vaak als onbehulpzaam ervaren. De meeste mensen redden het met de mensen die er al zijn. Een kleinere groep heeft baat bij gerichte steun, en een kleine groep heeft gespecialiseerde zorg nodig. Over wat rouwenden in hun eigen omgeving vinden, schreven we eerder een uitgebreider artikel.
Dat geldt natuurlijk niet voor iedereen. Als je net verhuisd bent of nergens lid van was, sta je er na een verlies vaak alleen voor. En dat is nou precies de reden waarom het ertoe doet wat we in gewone tijden met elkaar opbouwen.
Ton en Anneke bleven komen
Ruim twintig jaar geleden overleed mijn zus. Ik was toen aangesloten bij een kerk, en er kwamen regelmatig twee mensen bij mij langs, Ton en Anneke. Ze kwamen deels namens de kerk en deels namens zichzelf, om even in te checken en te vragen hoe het was.
Eerlijk gezegd wist ik niet goed wat ik met ze moest. Ik wist met zoveel dingen niet wat ik moest, en met hen dus ook niet. Ik had geen antwoorden en wist niet eens hoe ik me voelde, en dan kwamen zij weer. Voor mij als rouwende waren ze soms best ongemakkelijke bezoekers.
Maar ze bleven komen. Ze hadden geen grote vragen en ze verwachtten ook niet veel van me. Ze kwamen met een zekere regelmaat langs voor een kopje thee. En dat was oké, dat was het eigenlijk.
Pas achteraf heb ik gezien wat ze voor mij waren. In mijn boek Troostifant heb ik ze beschreven als de engelen die ik onderweg ben tegengekomen. Eind vorig jaar liep ik ze zomaar tegen het lijf in de Oude Kerk in Delft, waar ze op zoek waren naar de grafzerk van een familielid dat daar eeuwen geleden is begraven. Ik herkende ze meteen. Toen kon ik ze vertellen dat ik over hen geschreven had en dat ik ze daar nog steeds heel dankbaar voor ben.
Want wat ze deden was niet ingewikkeld. Het was heel gewoon, een kopje thee drinken en er even zijn.
Het ongemak zit bij de volwassenen
Waarom vinden we dit dan zo moeilijk? Het eerste waar we tegenaan lopen, is volgens mij het ongemak in onszelf.
Ik hoorde laatst het verhaal van een moeder. Het dwergkonijn van haar kind was doodgegaan en ze wilde het haar kind niet vertellen. Dus kocht ze onder schooltijd snel een nieuw konijn, zodat haar kind geen afscheid hoefde te nemen van dat lieve donsballetje. Zolang we daar nog zitten, hebben we als samenleving een flinke klus te doen.
Kinderen kunnen meer aan dan we vaak denken, zeker als volwassenen eerlijk tegen ze zijn en in de buurt blijven. Het ongemak zit vooral bij ons, de volwassenen. Wij weten niet goed wat we aan moeten met verlies en met de donkere kant van het leven.
Het overlijden van een huisdier kan voor een kind echt verdriet zijn, en dat verdriet verdient het om serieus genomen te worden. Tegelijk is het vaak het eerste echte afscheid, een moment waarop een heel gezin samen merkt dat alles wat leeft ook een einde kent. Dat eerste afscheid is zwaar, net als een eerste liefde. Je hart ligt in honderdduizend stukjes en je denkt dat je het niet overleeft. Later merk je dat het wel gelukt is en dat je dit aankunt. Die ervaring heb je nodig. En die kan een kind alleen opdoen als het afscheid mag nemen van dat konijn. Hoe je kinderen daarin meeneemt, lees je in Jong geleerd: Rouwgeletterdheid begint bij kinderen.
De stilte na de stoet
Rond een uitvaart is het altijd druk. Een week lang werk je je een slag in de rondte om alles geregeld te krijgen. Uitvaartverzorgers nemen zoveel mogelijk van je over, en toch blijft er veel emotioneel werk liggen waar je dan nog niet aan toekomt. Dan is de uitvaart en alle aandacht gaat daarnaartoe. Het is vaak prachtig, en dan is het ineens voorbij. Daarna wordt het stil, met een lege stoel in de kamer of met het lege huis van je ouders. We noemen dat vaak de stilte na de stoet.
Die stilte is meer dan een gevoel. Bij nabestaanden van vijftig jaar en ouder nam de sociale steun in de eerste anderhalf jaar na het verlies af. Bij oudere weduwen in Zuid-Korea piekte het contact met de kinderen vlak na het overlijden en nam het daarna af, terwijl contact met vrienden en deelname aan clubs pas later op gang kwam en langer standhield. Het zijn dus vaak juist de vriendenkring en de vereniging die er nog zijn als de familie weer naar huis is, als je die tenminste hebt.
Karin Kuiper schreef na de dood van haar man een boek met een titel die precies hierover gaat, Je mag mij altijd bellen. Die zin stond bovenaan haar lijst met ergernissen. Als je in diepe wanhoop zit, bel je namelijk niet, je wacht tot er gebeld wordt.
Wie blijft er na de stoet nog langskomen? Wie belt aan en vraagt of hij een kopje thee mag komen drinken?
Je hoeft het niet op te lossen
Je hoeft dan geen oplossing te bieden voor het verdriet. Het zit vreemd in ons systeem, en misschien bij mannen nog meer dan bij vrouwen, dat we het verdriet van een ander lichter willen maken. Dat hoeft niet. Ton en Anneke repareerden ook niets, en dat was ook niet nodig. Over er zijn zonder te repareren schreven we eerder een apart artikel.
Een vriend van mij is opgegroeid in Suriname. Hij vertelde dat ze daar gewend waren om te komen zitten als er iemand was overleden. Als buur kwam je langs, nog voor de uitvaart, en je was er. Dat kunnen zitten vind ik mooi, en ik denk dat we het opnieuw mogen leren.
Soms kun je ook niet meer dan dat. Als je zelf een groot verlies hebt meegemaakt, weet je vaak dat het lichter wordt en dat er betere tijden komen. Toch kun je dat moeilijk zeggen tegen iemand die er net middenin zit, want op dat moment is het alleen maar donker. Dan kun je hooguit naast iemand gaan zitten en samen een kopje thee drinken.
Klein, concreet en soms creatief
Troost zit vaak in hele kleine dingen, zoals een pan soep. Of je zegt tegen de buurman dat je per ongeluk te veel hebt gekookt en vraagt of je wat langs mag brengen.
Stuur liever geen appje met “Hoe is het met je?”, want dat is weer die ingewikkelde vraag. Schrijf dat je even aan iemand dacht en dat je hoopt dat hij deze dag goed doorkomt. Vraag af en toe of iemand nog een beetje slaapt, want het piekeren ’s nachts kan enorm zijn. En als iemand het verhaal voor de zoveelste keer vertelt, laat het hem dan vertellen.
Klein en concreet vraagt soms ook wat creativiteit, want niet iedereen zit op soep of op bezoek te wachten.
Het netwerk dat er al is
In de Japanse stad Iwanuma waren zeven maanden voor de tsunami van 2011 toevallig alle ouderen ondervraagd over hun gezondheid en hun buurt. Tweeënhalf jaar na de ramp werden dezelfde mensen opnieuw bevraagd. In buurten waar mensen al voor de ramp veel meededen aan een sportclub, een hobbyclub of vrijwilligerswerk, ervoeren bewoners hun dagelijks leven daarna vaker als hersteld. Het ging daarbij om hoe actief de buurt als geheel was. De gemeente hield bij de tijdelijke huisvesting bovendien buurtgenoten zoveel mogelijk bij elkaar. We schreven er eerder een apart artikel over.
Wat mensen in die nasleep droeg, was er al voordat de klap kwam. Dat is een uitdaging in onze tijd, want we zijn individualistischer geworden en vinden het soms al lastig om onze buren te leren kennen. Toch is dat netwerk in je straat of bij je vereniging van grote betekenis als het leven omvalt. Dat organiseer je niet pas na een overlijden. Het groeit als het leven nog gewoon is en er niets bijzonders aan de hand is.
Dat bedoelen we met een rouwvriendelijke samenleving, zoals we die in ons Manifest beschrijven. De steun moet er al zijn voordat je hem nodig hebt.
Wees voor iemand wat Ton en Anneke voor mij waren
Als samenleving hebben we nog wat te doen om rouwvriendelijker te worden. Daar is mogelijk een hele generatie voor nodig, om opnieuw te leren dat het leven niet alleen leuk is en dat we de donkere kant niet uit de weg hoeven te gaan.
Op die generatie hoef je niet te wachten. Ken je iemand die rouwt, doe dan iets, hoe klein ook, en wees daarbij creatief. Wees voor iemand wat Ton en Anneke voor mij waren, en laat de ander niet achter in zijn eenzaamheid.

Bronnen:
- Aoun, S.M., Breen, L.J., Howting, D.A., Rumbold, B., McNamara, B., & Hegney, D. (2015). Who needs bereavement support? A population based survey of bereavement risk and support need. PLoS ONE, 10(3), e0121101. https://doi.org/10.1371/journal.pone.0121101
- Aoun, S.M., Breen, L.J., White, I., Rumbold, B., & Kellehear, A. (2018). What sources of bereavement support are perceived helpful by bereaved people and why? Empirical evidence for the compassionate communities approach. Palliative Medicine, 32(8), 1378-1388. https://doi.org/10.1177/0269216318774995
- CBS (2026). 173 duizend mensen overleden in 2025. https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2026/11/173-duizend-mensen-overleden-in-2025
- Lim-Soh, J.W. (2022). Social participation in widowhood: Evidence from a 12-year panel. The Journals of Gerontology: Series B, 77(5), 972-982. https://doi.org/10.1093/geronb/gbab072
- Rack, J.J., Burleson, B.R., Bodie, G.D., Holmstrom, A.J., & Servaty-Seib, H. (2008). Bereaved adults’ evaluations of grief management messages: Effects of message person centeredness, recipient individual differences, and contextual factors. Death Studies, 32(5), 399-427. https://doi.org/10.1080/07481180802006711
- Shiozaki, Y., Ohtsuka, R., Hikichi, H., Kondo, K., Kawachi, I., & Aida, J. (2026). Can pre-disaster community resilience enhance post-disaster recovery among older adults? A natural experiment in Iwanuma City after the 2011 Great East Japan Earthquake and Tsunami. International Journal of Disaster Risk Reduction, 141, 106184. https://doi.org/10.1016/j.ijdrr.2026.106184
- Utz, R.L., Swenson, K.L., Caserta, M., Lund, D., & deVries, B. (2013). Feeling lonely versus being alone: Loneliness and social support among recently bereaved persons. The Journals of Gerontology: Series B, 69(1), 85-94. https://doi.org/10.1093/geronb/gbt075